03-12-2014  [Rob Baars]

Telex

Het vitaal orgaan van de toen bruisende NBBS-reisorganisatie, de telex, stond ergens halverwege de tweede en de derde etage van een monumentaal pand aan het Leidse Rapenburg. Op een kleine overloop met donker getinte, wat sleetse vloerbedekking en veel hout, de lambriseringen, de brede trappen, hun solide, glanzende leuningen. Er was maar een telex voor het hele bedrijf. Iedere middag tussen vijf en half zes vocht een handje vol collega’s zich, vaak met een stevige beuk, een fikse tackle, op onstuimige wijze een weg naar het apparaat. Teneinde als het even kon als eerste hun reserveringen de deur uit te doen. Daarop was gedurende minstens een uur het immense geratel van de zware machine door het gehele gebouw te horen. Meestal mengde ik me niet in die typische kantoorstrijd. Wachtte ik rustig mijn beurt af, ik had geen haast. Het Parijse Hotel Bel Air verwachtte mij tenslotte nooit eerder dan tegen een uurtje of zes.

 

In de tussentijd dronk ik op mijn gemak een biertje. Daarin school geen enkele recalcitrantie. Gedurende de middag vond, met name onder het mannelijk potentieel der werknemers, van tijd tot een niet ingeplande werkonderbreking plaats. Waar niemand vreemd van opkeek. Het colbert ging aan, de sjaal om: “Ik ben effe weg ja, nemen jullie m’n telefoon even op!”. En dan ging het naar buiten. Voor een kort uitstapje. Naar V&D, in welks gewelven zich destijds nog een supermarkt bevond. Of richting het minimarktje van meneer en mevrouw de Kordelaar in de Diefsteeg. Wat over het algemeen de voorkeur genoot omdat daar ‘beugeltjes’ Grolsch werden verkocht. Elke dag opnieuw werd een en ander met de discretie van notoire gebruikers in de onderste laden der bureaus opgeborgen. Om klokslag half vijf, vergezeld van een hoop verbale uitbundigheid, onder luid gerinkel ter tafel te worden gebracht. Flessen plopten, sigaretten werden aangestoken. Na een laatste controle van de reserveringslijsten begon het Endspiel, die dagelijkse wedren naar de krappe galerij daar boven, teneinde er het tot dusver sluimerend hart der onderneming tot een venijnig geratel te reanimeren.

 

Dan het traag weer tot stilstand komen van de machinekamer. Ineens zijn ze er als een scheet vandoor, er valt geen tijd te verliezen! Het werk gedaan, vliegen ze met zevenmijlssprongen de trappen af, dat er daarbij nooit wat fout gaat mag gerust een wonder heten, zo´n haast als ze allemaal hebben om zo snel als maar mogelijk is de kuierlatten te kunnen nemen. Fladderende jassen, nijdig getrappel door de marmeren gang. Zich op straat ijlings verwijderende voetstappen… De stilte... Langzaam valt de duisternis in. Nog slechts een enkele brandende lamp in het trappenhuis. Ik zet de beugelfles naast me op de grond en gaap eens uitgebreid. Een lome warmte heeft zich door mijn lichaam verspreid als ik achter het toetsenbord plaatsneem. Ik hou van de telex. Het lange, witte lint, met al die magische, betoverende gaatjes, door mij lichtjes door het apparaat gevoerd. Terwijl ik wegdoezel hoor ik ergens ver weg een felle klik. Het tijdslot van de voordeur. 

 

10-11-2014  [Rob Baars]

Nostalgia

 

Langzaam maar zeker zijn ze zo’n beetje allemaal uit het straatbeeld verdwenen, de buurtwinkeltjes; eenmanszaakjes waar je ook na zes uur nog terecht kon. Voor een pakje sigaretten, een fles melk of de avondkrant. En vaak voor meer dan dat alleen. Terugkijkend vind ik het nog steeds verbazingwekkend wat deze ‘kleine zelfstandige’ allemaal aan klein, maar op zeker moment onmisbaar spul uit zijn assortiment tevoorschijn wist te toveren. Het is niet ondenkbaar dat de neringdoende daarbij regelmatig uit de privé huishoudvoorraad zal hebben geput; op het wat gegeneerd gebrachte ‘ik heb misschien een gekke vraag, maar heeft u misschien, toevallig ook…?’, volgde namelijk maar zelden een ontkennend antwoord. Om het even of het ging om een blikopener, bruine schoensmeer, terpentine, ballonnen voor een verjaardagsfeestje, dan wel een flesje wijn voor een late bezoeker, na enig gestommel in de ruimte achter  de winkel werd het gevraagde over de toonbank geschoven: alles voor een tevreden klant!

 

Vaak hadden dergelijke winkeltjes, ook nog een sociaal karakter. Toen ik ergens halverwege de jaren ’70 voor het eerst aan het hokken sloeg en mijn gezelschapsleven zich dus niet langer meer alleen in het café afspeelde, moest ik ernstig wennen aan de noden die een dergelijk samenleven met zich mee brengt. Om kort te gaan, ’s avonds ontbrak er nogal eens iets in aan ons pril geluk wanneer ik aan de beurt was voor de boodschappen. Zeer  bruikbare informatie aldus, toen ik vernam dat kruidenier Barendse in de Morsstraat,  pal naast de oude Morschpoortkazerne, een nerinkje dreef dat tot in de late uren open bleef. Het onderneminkje, welks interieur in de 19de eeuw leek te zijn bevroren, bleek over een verrassend ruime sortering te beschikken en schoot mij bij herhaling te hulp wanneer ik thuis weer eens in gebreke was gebleven. Eenmaal vaste klant, bleek tot mijn genoegen dat de oude Barendse er achter zijn winkeltje, in het opkamertje, nog een rinkelend en roezemoezerig nevenhandeltje op na hield.

 

Een nevenhandeltje waarvan meneer Boehlee, in de Kolfmakersteeg, op den duur zo’n beetje de hoofdzaak had gemaakt. Ooit had ie een bloeiend melkhandeltje gedreven. Hij bezorgde aan huis, maar mensen uit de buurt konden ook bij hem thuis terecht, als de nood aan de man was, maar alleen als ie je kende, want ‘mijn vrouw is nogal schrikkerig aangelegen, dus zodoende’. Toen ie 70 was vond ie het welletjes, al dat gesjouw de hele dag. Maar al snel begon ie de gezelligheid te missen. Kon je bij hem terecht voor een kratje bier. En op vrijdagavond hield ie buurtcafé aan huis. Zaten we met een heel stel aan de grote tafel met zo’n Perzisch kleed erop, dronken bier uit flesjes, borreltje erbij. Mooi kon ie vertellen; hoe ie zijn vrouw bij storm de stuipen op het lijf joeg door twee kistjes tegen elkaar te slaan: ‘zat ze bibberen bovenaan de trap, bang van onweer hè’, dat soort verhalen. Bij de avondwinkel wordt zwijgend afgerekend. De tv staat aan. Of ze plakband hebben?    

 

17-10-2014  [Rob Baars]

De Doos

 

Op het balkon van de trein die mij van Den Haag Centraal naar Leiden CS moest brengen kwam ik Carlijn tegen. Carlijn, officiële ex, met wie ik een soort bipolaire, nogal eens exploderende, maar verslavende relatie had onderhouden, ergens halverwege de jaren 70. Ik betwijfelde of het de bedoeling was dat men haar zag, want ze leek zichzelf te hebben weggemoffeld in die hoek van het balkongedeelte waar tijdens vakantieperiodes fietsen worden gestald. Daar zat ze, op zo’n klapstoeltje, haar blik strak en stuurs gericht op het voorbijschietende winterlandschap daarbuiten. Ik schat dat het zeker twintig jaar geleden moet zijn geweest dat we elkaar voor het laatst hadden gezien en toen bleken de scherpe kantjes van ons zinderend verleden er inmiddels wel af. Ik vond het dus niet ongepast haar isolement te doorbreken en klapte een zitje omlaag. Niet pal naast haar, daar stond namelijk een fikse doos.

 

Haar reactie op mijn begroeting, “oh, hee, hoi”, klonk vertrouwd melodieus, ze had een mooie alt, en onverwacht enthousiast en vrolijk. Schone schijn. Eigenlijk was ze nauwelijks veranderd. Nog altijd droeg ze het kenmerkende Mireille Matthieu kapsel rond haar nog steeds aantrekkelijke, fraai gesneden, enigszins oosters aandoende gelaat. Maar wat was ze bleek, bijna doorschijnend. En hoewel haar stem in al zijn expressieve buigingen anders deed vermoeden, oogde ze verre van uitbundig. De glans in haar ogen leek steeds net ietsjes  achter haar timide lachjes aan te komen, ze was, kortom, in mindere doen. Ik vond dat ik, gezien het aantal verstreken jaren sinds ons samenzijn, niet het recht had, haar vragen van al te intieme aard te stellen. En dus praatten we over van alles. Haar werk, het mijne, en tenslotte die doos. Het bleek te gaan om een onmiskenbare impulsaankoop. Ergens in de buurt van Centraal had ie in de etalage gestaan, een kleinbeeld televisietoestel, met dvd-speler. Het had haar ineens de ideale aanschaf voor op de slaapkamer geleken.

 

Bij ‘De Vink’ moest ze eruit. Dat ik aanbood te helpen bij het ongeschonden thuis krijgen van haar aankoop, had zeker van doen met haar broze uitstraling. Maar meer nog met de plotselinge aantrekkingskracht die ze in al haar breekbare droefenis opnieuw op me uitoefende. De snelste weg naar haar huis was schuin over het besneeuwde grasveld waaraan het station lag. Door het enorme pakket in mijn armen zag ik niets voor of onder mij. In kou en stuifsneeuw was ik aangewezen op de naast mij voortstappende ex-geliefde-en-wie-weet(?), tot ik uiteindelijk hijgend een behaaglijk appartement betrad. Met een diepe zucht zette ik de doos neer en lachte haar aangenaam toe. Daar zou het bij blijven. Tijdens mijn blinde wandeling had zich een onderkoeld  hondenexcrement in het diepe profiel van mijn schoeisel gedrongen, dat nu, door opwarming zijn onwelriekende aard prijsgaf, terwijl mijn voetstappen een ‘diepe indruk’ achterlieten. Bij de aanblik daarvan verstrakte haar gezicht. Er kwam een teiltje aan te pas. En nee, ik hoefde niet te helpen. Buiten haalde ik opgelucht adem.       

 

10-10-2014  [Rob Baars]

Het Gerecht

 

Dat ik op zondagavond toch nog weer in het café belandde was force majeur. Er was namelijk niets meer in huis. De avonden ervoor was het ons gelukt er werkelijk alles doorheen te jagen. Nog geen enkel biertje over in de koelkast, geen bodempje wijn meer in de verzameling lege flessen op de overloop. Achter de LP’s, in de inbouwkast vlak naast de bank, en dus vrijwel aan het oog onttrokken, had ik zorgvuldig een flesje whisky verborgen gehouden, voor moeilijker tijden. Het bleek tot op de laatste druppel geledigd, vacuüm gezogen. Best mogelijk dat Boelie of Huibert, of wie van de vrienden dan ook het had weten op te duikelen, we struinden altijd door elkaars platenvoorraad op zoek naar verrassingen-in-vinyl. Méér voor de hand liggend was echter, dat ik het noodrantsoen op zeker moment zelf tevoorschijn had getoverd, aangezien de behoefte aan wat straffers in die dagen zowel mijn mondholte als mijn innerlijk in een stevige houdgreep gevangen hield.

 

Videorecorders waren er nog niet. Als er nergens in de buurt een groep van enige importantie optrad, of wanneer je een concert wilde zien van een artiest die slechts bij hoge uitzondering ons land aandeed, dan was je aangewezen op de nachtelijke uitzendingen van Rock Palast. Of je kon een filmprojector met geluid huren, zo’n lichtjes, gezellig snorrend apparaat dat een aangename geur verspreidde. En waarvan de soms letterlijk ‘schokkende’ kwaliteit van beeld en geluid een uiteindelijk zelfs als aangenaam ervaren, gezamenlijke ergernis teweeg bracht. Die zaterdagavond of, nauwkeuriger uitgedrukt, zondagmorgen om half drie zond Rock Palast twee concerten uit, van achtereenvolgens George Thorogood en de op het toppunt van zijn roem en heroïnegebruik verkerende Mink de Ville. Dat wilden we toch wel graag zien met zijn allen. De dag daarvoor echter had iemand van ons eenmalig de hand de hand weten te leggen op The London Concert van Chuck Berry, dat mochten we eenvoudigweg niet missen… Voorafgaand aan respectievelijke nachtelijke seances diende echter eerst wel nog onze stamkroeg te worden aangedaan, café het Gerecht in de Leidse Lokhorststraat.

 

Het lijden van zondag was huiveringwekkend. Tot zich ’s middags rond een uurtje of vijf de eerste tekenen van herstel aandienden. Eerst was daar een scheurende honger. Daarna de onmiskenbare behoefte aan een lichte, geestrijke versnapering, een mondvermaakje, zoals mijn vriend Bernard dat noemt. En daar stond ik weer, in het Gerecht, toen ik vanuit een ooghoek ineens de transparante gestalte van een bleke verschijning in een gebloemde robe gewaar werd, ze zweefde langs de wand, loste weer op. Een duidelijk geval van post-alcoholische hallucinatie. Toch liet ik onwillekeurig mijn glas vallen. En sneed me vervolgens lelijk bij het verzamelen van de scherven. Terwijl ik mijn hand liet verbinden in het minuscule keukentje achter de bar, gleed plots een ijzige hand rond mijn hart: boven de wasbak hing de sepiakleurige, duidelijk vooroorlogse foto van een statige vouw, een dame, in een gebloemde robe: de reeds lang geleden heengegane eigenares van het pand. 

 

16-09-2014  [Rob Baars]

Het Bureau van Politie

 

 

Het voormalig Bureau van Politie in de Leidse Zonneveldstraat, staat er wat armetierig bij. Snoepwikkels, lege plastic flessen, sigarettenpeuken ontsieren de entree. Door de jaren hebben de bakstenen waaruit het pand is opgetrokken een grauwe kleur gekregen. Toch vind ik het nog altijd mooi, dat door de Katwijkse architect Neisingh in de stijl van de Amsterdamse School ontworpen gebouw. Althans, aan de buitenkant. Het interieur ken ik eigenlijk niet zo goed. Ooit, in een ver verleden ben ik er weleens binnen geweest, maar erg veel meer dan de kleur van het tegelwerk staat mij van dat nachtelijk bezoek niet bij. Ik had graag nog eens een kijkje binnen genomen, maar toen ik er deze week langsliep, bleek dat plezier me niet vergund. In afwachting van de verbouwing tot een luxe appartementencomplex wordt het monumentale bouwwerk tijdelijk bewakend bewoond. Door lieden die hun taken ernstig nemen: op de deur hing een slordig beschreven papier, ‘deur sluit vanzelf’. En dat deed de deur goed.

In café de Uyl van Hoogland waren die zaterdag fors uit de kluiten gewassen tv-toestellen geplaatst, van die kolossale aquariums. Live Aid ‘85 stond op het punt te beginnen, en gehoopt werd, dat een zorgvuldig inspelen op dit gebeuren een ruime toeloop van muziek- en vooral drankminnenden teweeg zou brengen. Ik was er al vroeg. Geheel volgens het toentertijd in mijn vriendenkring heersende gebruik werd de zaterdagmiddag ingeluid met koffie vergezeld van een glaasje calvados. Terwijl ik het cognacglas rustig maar gestaag bleef kantelen, de koffie langzamerhand het veld ruimde ten faveure van ‘het Vaasje’, begon de zaak rondom mij vol te stromen. De combinatie van geestrijke dranken en het via de televisieschermen overal om mij heen ten toon gespreide had een bedwelmende uitwerking. Terwijl Frankie Goes to Hollywood, Ultravox Sting, David Bowie, Mick Jagger en Tina Turner, op podia in Engeland alsmede de VS, met een nog altijd ongeëvenaarde bevlogenheid het beste van zichzelf in de strijd wierpen, raakte ik steeds verder van mijn omgeving geïsoleerd.

Het besluit op te stappen leek te zijn ingegeven door een hogere macht. Als een slaapwandelaar, niets en niemand om me heen meer ziend, verruilde ik de schemering van het café voor de duisternis van de inmiddels gevallen nacht daar buiten. De muziek gonsde nog door mijn kop, terwijl ik de hoek omsloeg, de Hooigracht op. Rechtdoor, twee bochten om, thuis, dat kon niet mis. Ook al had ik bij wijze van spreken beide huizenkanten van de toch niet smalle straat nodig om me in het juiste spoor te houden, ik wist precies waar ik heen moest. Alleen kon ik dat niet meer helder uit de doeken doen. De twee agenten die me staande hielden, waren de vriendelijkheid zelve, ze boden zelfs aan me even naar huis toe te rijden. Uit mij kwam slechts wat onsamenhangend gemompel. En zo kwam ik die nacht te logeren in het arrestantenverblijf van ‘De Zonneveldstraat’. De deur sloot niet vanzelf, er ging een dikke schuif voor. Een naar geluid…